• Arthur Eerelman-Hanselman

Verbeteraars

Ik ben niet goed in mijn spelling en taal. Misschien had ik u daarvoor moeten waarschuwen in mijn eerste column. Ik heb grote moeite met d's en t's. In het Groot Dictee der Nederlandse Taal ben ik altijd dramatisch slecht geweest. Van jongs af aan haalde ik altijd een één voor dictees. Voor begrijpend lezen, boekverslagen en wat al niet meer haalde ik altijd wél hoge cijfers, waardoor ik doorgaans wel een 8 op mijn rapport had voor Nederlands.

Maar spelling blijft tot op heden een uitdaging. Dat heeft als gevolg dat ik regelmatig word geconfronteerd met leden van de taalpolitie; een groep mensen die de onbedwingbare behoefte voelt anderen te verbeteren en te wijzen op fouten in schrijven of uitspraak. Taalpolitieagenten verzuchten daarbij vaak dat het toch allemaal niet zo moeilijk is; gewoon de regels volgen en je weet precies hoe je wat moet opschrijven. Die domme foutschrijvers ook.

Geloof mij, ik doe écht mijn best geen fouten te maken en diep na te denken over wat ik schrijf en wat de bijhorende regels zijn. Maar op de een of andere manier passen die regels niet makkelijk in mijn 'denkraam'. Voor mensen zoals ik is de confrontatie met de taalpolitie minstens irritant. Mensen vinden het doorgaans niet fijn om op hun tekortkomingen te worden aangesproken. Schijnbaar werken mijn hersens wat anders dan die van taalverbeteraars. Ik kan best wel wat en ik vind mijzelf niet bepaald dom. Kijkend naar mijn eigen kwaliteiten, voel ik niet de neiging anderen te verbeteren. Ik spreek iemand er niet op aan dat hij of zij niet in staat is een database te normaliseren tot in de 5e Normaalvorm. Als historicus heb ik nooit tegen mensen met wat minder historisch besef gezegd dat het echt allemaal niet zo moeilijk is om te begrijpen hoe bijvoorbeeld de Joegoslavische Burgeroorlog is ontstaan en verlopen.

Ieder heeft zo zijn kwaliteiten, kennis en mindere punten en natuurlijk is het goed om elkaar daarin te steunen of te helpen in het verbeteren daarvan, maar de manier waarop je dat doet is allesbepalend. Een paar jaar geleden verscheen een onderzoek van de Universiteit van Michigan dat personen die zich gedragen als taalpolitie doorgaans als 'minder aangenaam' worden ervaren. Diegenen die zich het meest ergerden aan (of was het nou 'irriteerden aan'?) grammaticale en spelfouten werden omschreven als introverter of onaardiger en kunnen slecht tegen afwijkingen van de norm. Extraverte mensen kunnen zich wat makkelijker over de taalfouten van anderen heen zetten. Gelukkig ken ik ook heel erg aardige taalverbeteraars en het is natuurlijk niet aan mij om de taalpolitie de maat te nemen. Iedereen heeft zo zijn zwakke punten.

Nou nog ff me column aan me hele lieve vrouw laten lezen, want zij haal als enigste altijd moeiteloos alle miniscule fouten uit mn schrijfsels, want ik wil de lezer natuurlijk niet meer als nodig confrontere met me tekortkomingen.

[Arthur Eerelman-Hanselman